Op 9 april 1449 beval hertog Filips ‘de Goede’ van Bourgondië zijn ‘eerste deurwaarder’ om Utrechtse dorpelingen en met name ook die van Westbroek aan te pakken. Als graaf van Holland verbood hij hen nog langer illegaal turf te steken in zijn gebied. [Philips de Goede, omstreeks 1455. Rogier van der Weyden. Musée des beaux-arts de Dijon.]

 

Meer informatie

Men leest  in deze hertaalde oorkonde:

‘Philips, bij de genade Gods hertog van Bourgondië, van Lotharingen, van Brabant en van Limburg, graaf van Vlaanderen, van Artesië, Bourgondië, paltsgraaf van Henegouwen, van Holland, van Zeeland en van Namen, markgraaf van het Heilige Roomse Rijk, heer van Friesland, van Salins en van Mechelen, gegroet. Wij dragen onze eerste deurwaarder (de bekendmaking van) het volgende op.

Van oudsher horen Ons alle hierna genoemde venen en hun toebehoren in Holland toe. Het gaat om venen die gelegen zijn  aan de grenzen van ons voormelde gebied:  aan de ene, de Stichtse kant gebied genaamd de Wildvang en aan de andere zijde Holland.

Het is ons ter kennis gekomen, dat sommige dorpelingen van Westbroek, Tienhoven, Maarseveen, Breukeleveen en andere onderdanen van het genoemde Sticht, zonder reden of rechtsgrond, maar met gewelddadigheid en zonder onze toestemming in deze venen turf hebben gestoken en dat meegenomen hebben over de grens, naar Utrecht toe. Dat doen ze nog steeds.

Op die manier hebben ze veel turf gestolen, met aanzienlijke geldelijke verliezen voor Ons. Een en ander leidde  tot verlies van en schade aan Ons wettige eigendom. Als dit – het onrechtmatig steken en wegnemen van onze turf – verder doorgaat,  dan wordt Ons nog meer  schade berokkend. Wij kunnen daarom niet langer tolereren dat Wij geschaad worden in het bezit van Ons erfelijk bezit. We zijn vastbesloten dit misbruik tegen te gaan en onze  grenzen  en heerlijke rechten te handhaven tegenover alle overtreders, zodat we  met Onze venen kunnen doen wat ons past en vrijstaat.

Daarom bevelen en machtigen Wij u [deurwaarder] door deze brief, om meteen naar de plaatsen waar de overtredingen geschieden te gaan. Wij willen dat u de genoemde dorpelingen van Westbroek, Tienhoven, Maarseveen, Breukeleveen en allen die u aantreft in onze venen, op het illegale van hun handelen wijst, dat wil zeggen de  lieden die daar turf hebben gestoken of nog aan het steken zijn.  Doe dat in hun parochiekerk of waar u hen het makkelijkst kunt laten samenkomen. Laat aan hen uit Onze naam weten, dat zij voortaan hun handen moeten afhouden van onze turf! Ze moeten wegblijven uit ons veen, zodat Wij en Onze arbeiders daarvan ongestoord gebruik kunnen maken. […] En als de dorpelingen niet in een bijeenkomst kunnen worden geïnformeerd of samen te brengen zijn, laat dan kopieën van deze brief achter bij de pastoors van de verschillende parochies, zodat zij de inhoud van dit schrijven bekend kunnen maken. […]

Ter bevestiging van deze brief hebben wij Ons zegel daaraan gehangen. Gegeven op de eerste dag van augustus in het jaar van Onze Heer 1494.

Getekend: door mijnheer de hertog, om door te geven aan de stadhouder en grafelijke raad van Holland. J. Bossert.’

Voor de originele tekst klik men aan: het optreden van hertog Philips van Bourgondië tegen turfdiefstal

AD

 

Bron:

 

Bron: F.Th. Enklaar ed., Middeleeuwsche rechtsbronnen van Stad en Lande van Gooiland (Utrecht 1932) pp. 315-317