
In het voorjaar en de zomer van 1954 publiceerden verschillende kranten over de jeugd die zich zou misdragen in de natuur. Dit was aanleiding voor minister J.M.L.T. Cals om zich te richten tot de Nederlandse jeugd met een oproep om de natuur te respecteren.
Er waren in 1954 veel klachten over baldadigheid en ook dierenmishandeling in de bossen tussen Bilthoven en Maartensdijk. De dierenbescherming in Den Haag ontving meerdere meldingen over het doden van jonge dieren met pijl en boog. De pijlpunten waren verzwaard met oude kogelhulzen of lood en koper. Hoewel er geen jongeren op heterdaad betrapt waren, werden er veel van deze pijlen in de bossen gevonden.
De groep die zich aan vernieling van de natuur schuldig maakte, werd geschat op 200 tot 300 jongeren uit de grote stad. Vreemd genoeg werden daarbij ook vaak padvinders als daders genoemd. De goede bereikbaarheid van de bossen, zowel per fiets als met het openbaar vervoer, de uitgestrektheid en het gebrek aan toezicht maakten bossen als het Ridderoordse Bos aantrekkelijk voor deze wandaden. Naast het rapen van vogeleieren waren vooral jonge fazanten, konijnen, hazen en patrijzen het slachtoffer.
De roep om de groep op te sporen was groot, maar de eigenaar van de bossen, Het Utrechts Landschap, kon met één boswachter weinig voorkomen. Ook de lokale politie en de enige vertegenwoordiger van de Dierenbescherming ter plaatse slaagden er niet in de daders op heterdaad te betrappen. Wel meldden wandelaars dat zij de vandalen hadden gezien, maar bij aankomst van het gezag waren de vogels gevlogen.
Deze verhalen in de landelijke en lokale pers hebben minister J. M.L.T. Cals van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, die ook verantwoordelijk was voor het jeugdbeleid, aangespoord om een brief aan de Nederlandse jeugd te schrijven. Daarin riep hij de jongeren op om de natuur te respecteren. De oproep verscheen in juli 1954 in de pers en had als kop Ontzie de Natuur:
ONTZIE DE NATUUR!
In deze weken trekken tienduizenden van onze jeugdige landgenoten, hetzij in georganiseerd verband, hetzij individueel, per fiets of te voet door ons land om in de vrije natuur ontspanning te zoeken en te vinden.
De natuur is een kostbaar bezit van het gehele Nederlandse volk. Zij biedt ons schoonheid, rust en herstel van krachten. Maar dit bezit is kwetsbaar. Onnadenkendheid en onverschilligheid kunnen in korte tijd vernielen wat in jaren is gegroeid of wat door de zorg van velen in stand is gehouden.
Het is daarom de plicht van ieder die van de natuur geniet, haar ook te beschermen. Dit geldt in het bijzonder voor de jeugd.
Ik doe een dringend beroep op alle jonge kampeerders, trekkers en recreanten om tijdens hun verblijf in de buitenlucht de natuur te ontzien. Laat geen sporen van vernieling of wanorde achter. Eerbiedig de eigendommen van anderen, stoor de rust van de dieren niet en houd de bossen, heidevelden en kampeerterreinen schoon.
Bewijs dat de Nederlandse jeugd de cultuur en de schoonheid van ons land weet te waarderen en te eerbiedigen. Toon u waardige gasten van de natuur!
EvdV
Literatuur:
Delpher krantenarchief 1954
Archief J.M.L.T. Cals Katholiek Documentatie Centrum