
Op 15 november 1446 werd door het Sint Laurens klooster Oostbroek een erfpachtbrief opgesteld waarin de aan het klooster door Frank van Borssele, de heer van Zuilen en Westbroek verschuldigde erfpacht werd vastgesteld. [Uitsnede uit de abtenlijst van Oostbroek met de wapens van de Oostbroekse abt Johannes Ruysch, in: Aernout van Buchel, Monumenta passim in templis ac monasteriis Trajectinae urbis atque agri inventa. Het Utrechts Archief, collectie Van Buchel.255.]
Frank van Borssele (ca. 1395–1470) behoorde tot de invloedrijkste edelen van de Noordelijke Nederlanden in de vijftiende eeuw. Hij is vooral bekend als de laatste echtgenoot van Jacoba van Beieren.
De akte werd ondertekend door abt Jan Ruysch, de prior en het klooster Oostbroek. Het document bepaalde dat Frank van Borssele Zuilen met al zijn toebehoren opnieuw in erfpacht mocht houden. Daarmee werd een oudere rechtsverhouding bevestigd die volgens de akte al bestond tussen het klooster en de vroegere heren van Zuylen. Hiermee raken we aan de relatie die van oudsher bestond tussen de bisschop van Utrecht, het klooster Oostbroek en Zuilen en Westbroek.
In de feodale verhoudingen van die tijd was de bisschop van Utrecht de formele leenheer van de heerlijkheid Zuilen en Westbroek. De heer van Zuilen en Westbroek was derhalve de leenman van de bisschop. Intussen was ook de abt van Oostbroek als grondbezitter van grote stukken gebied binnen de heerlijkheid betrokken bij Zuilen en Westbroek. Dit blijkt onder meer uit de erfpachtprief van 1446 die men in het origineel en in hertaling kan lezen door aan te klikken: De erfpachtbrief van 1446
Meer informatie over de heren van Westbroek en Zuilen kan men elders op deze site vinden door HIER te klikken en voor abt Jan Ruysch klikt u HIER
AD
Bron:
Codex Diplomaticus Neerlandicus. Verzameling van oorkonden, betrekkelijk de vaderlandsche geschiedenis, uitgegeven door het Historisch Genootschap, gevestigd te Utrecht, Tweede Serie, deel IV, eerste afdeeling (Utrecht 1857).