Op dit schilderij van Th.G. van der Schuer (Museum Lakenhal te Leiden) zien we hoe een ziekenverzorger een theriakel (honingdrankje) aan een pestlijder toedient. De doekjes voor de mond dienen om de kwade dampen tegen te houden, waardoor, zo dacht men, de pest werd verspreid. Een van de vele epidemieën maakte rond 1600 tientallen slachtoffers in Westbroek.

 

Meer informatie

De pest wordt veroorzaakt door de Yersinia Pestis en komt uit Centraal Azië. Deze ziekte heeft eeuwenlang Europa geteisterd. De eerste omvangrijke pestuitbraak in West-Europa vond plaats rond 1350. De ziekte bleef daar tot in de negentiende eeuw endemisch. Patiënten stierven aan ontstekingen van de lymfeklieren of de longen.

Over de oorzaak van de ziekte liepen de meningen uiteen. Volgens de meesten was het een straf van God die men had te aanvaarden. Sommigen dachten dat de ziekte overgedragen werd door kwade dampen of miasmen. Vandaar dat de pestdoktoren maskers droegen met in de neusholte een mengsel van kruiden. Weer anderen meenden dat isoleren, bijvoorbeeld door personen uit gebieden met de pest in quarantaine te plaatsen of door te vluchten, besmetting kon voorkomen. Pas in 1894 ontdekte de arts Alexandre Yersin dat vlooien de pestbacterie overbrachten en dat de vlooien zich via ratten verplaatsten. Sindsdien is in Europa de ziekte teruggedrongen en later was hij ook via antibiotica goed te bestrijden.

In de dagboeken van Aernout of Arend van Buchel (1565-1641) schreef deze humanistische geleerde veel over Utrecht. Zo schreef hij in zijn aantekening van juli 1598 dat in Utrecht en omgeving de pest weer was uitgebroken. Hij vermeldde speciaal de dorpen ‘t Goy, Breukelen en Westbroek.

HGet ontbrak niet aan ideeën over hoe men deze ziekte moest bestrijden. Theologen bogen zich over de vraag hoe om te gaan met deze straf van God. Volgens de reformator Johannes Calvijn mochten predikanten voor de pest vluchten, maar die visie riep weerstand op. De Utrechtse predikant Gijsbertus Voetius vond het onjuist en meende dat een predikant op zijn post diende te blijven. Hij stelde zich op het Bijbelse standpunt: ‘Gij zult niet vrezen, voor de schrik des nachts (…); Voor de pestilentie die in donkerheid wandelt; ( …) tot u zal het niet geraken.’(Psalm 91 vs 5-7).

Ook Johannes Anthonij, predikant te Westbroek en pestziekenhuisbezoeker te Utrecht, dacht er zo over. Wel heeft hij door zijn werkzaamheden vlooien meegenomen naar Westbroek en daar gemeenteleden besmet. Op 9 juni 1606 tijdens een synodale vergadering van predikanten uit het Sticht merkte hij op dat het goed ging in zijn kerkelijke gemeente. Er waren regelmatig zo’n 50 toehoorders, maar daar waren er wel 25 aan de pest overleden. Nu in 1606 was het aantal kerkgangers weer op peil, zo’n 40 tot 50 bezoekers.

Opvallend is dat zijn collega’s op diezelfde vergadering niets over uitzonderlijke sterfgevallen aan de pest meldden. Wel waren er veel klachten, vooral in het zuidelijk deel van het Sticht, over heimelijke rooms-katholieke praktijken.

PvH

 

Literatuur:

P. Rommes, ‘Op het spoor van de dood’, Jaarboek Oud-Utrecht, 191, p. 93-121.

A.H.M. Kerkhoff, Per imperatief mandaat. Overheid en pestbestrijding in de Republiek der Zeven Verenigde Nederland. Hilversum 2020.

Anne Doedens, ‘Dorpen met een geschiedenis in een gemeente zonder verleden’, De Biltse Grift, december 2001.

G. Brom en L.A. van Langeveld (ed.), Arend van Buchel, Diarium. (Werken van het Historisch Genootschap), Amsterdam 1907, p. 469.

P.J. Vermeulen, ‘Bijdragen tot de geschiedenis van de gemeenten der Hervormden in de provincie vóór 1618’, Tijdschrift voor oudheden, statistiek, …en andere delen der Geschiedenis van het bisdom, de provincie en de stad Utrecht, 1847, eerste deel, p. 91-194.