
Soms brengt een oud archiefstuk ons onverwacht heel dichtbij het leven van mensen uit een ver verleden. Geen grote veldslag, geen besluit van een machtig bestuurder, maar een klein en aangrijpend voorval dat eeuwenlang verborgen bleef in het archief: een kindje dat in Oostveen (Maartensdijk) werd gevonden, verlaten in een elzenheg. Het document vertelt niet alleen wat er gebeurde, maar laat ook zien hoe de inwoners en het plaatselijke bestuur met zo’n vondeling omgingen.
Afbeelding: een man vindt een vondeling. De man is Thomas Coram die in 1739 het Foundling Hospital oprichtte. (Prent van J. Brooke en B. Nebot 1759)
In het document vertellen enkele inwoners – onder wie Gerrit Lubberszoon en Jan Janssen van Zutphen – dat zij op een woensdag in de maand mei van 1621, tegen de avond, in het gerecht van Oostveen een klein kind hebben gevonden. De vindplaats was bepaald niet geschikt voor een jong kind: het lag in een elzenheg in het veld, tegenover de woning van de valkenier.
Het ging om een kindje van naar schatting ongeveer één jaar oud. De vinders twijfelden er niet aan dat het kind daar was achtergelaten. Zij namen het mee en zorgden ervoor dat het niet aan zijn lot werd overgelaten. Vervolgens richtten zij zich met hun verzoek tot de bevoegde bestuurders.
Wie moest voor het kind zorgen?
De vraag was eigenlijk eenvoudig, maar voor die tijd zeker niet vanzelfsprekend: wie moest er voor dit kind zorgen en wie moest de kosten daarvan betalen? De bestuurders van Oostveen besloten dat de schout en de gerechten van Oostveen het gevonden kind voorlopig moesten laten verzorgen. Het kind moest worden onderhouden “tot der gemeene cost” – met andere woorden: op gemeenschappelijke kosten.
Op zoek naar de verantwoordelijke
In het oorspronkelijke document staat dat men alle mogelijke moeite moest doen om degene aan wie het kind toebehoorde, dan wel degene die het op die plaats had gebracht en achtergelaten, op te sporen en in goede verzekering te brengen.
De vinders lieten het kind niet liggen. Zij brachten de zaak onder de aandacht van het plaatselijke bestuur. Dat bestuur nam vervolgens verantwoordelijkheid voor de eerste opvang en gaf opdracht om naar de ouders of degene die het kind had achtergelaten op zoek te gaan.
Het is interessant om te zien dat er dus al eeuwen geleden een vorm van maatschappelijke zorg voor een verlaten kind bestond. De verantwoordelijkheid lag niet uitsluitend bij degene die het kind toevallig vond. De plaatselijke overheid moest ervoor zorgen dat het kind werd onderhouden en dat er onderzoek werd gedaan naar zijn afkomst.
Een klein verhaal uit het verleden
Wie het kindje was, of wat er uiteindelijk met hem of haar is gebeurd, vertelt dit document ons helaas niet. Juist dat maakt zo’n klein document interessant: achter enkele regels oud schrift gaat het verhaal schuil van een echt kind, dat ooit in het landschap van het vroegere Oostveen werd aangetroffen. Het is een gebeurtenis die zich eeuwen geleden afspeelde, maar die ons vandaag nog even dicht bij het leven van de vroegere inwoners van Oostveen – het huidige Maartensdijk – brengt.
BF
Bron:
Het Utrechts Archief, Toegang 233. Inventarisnummer 264-35. 1629.
