Maurice Meijer, in 1937 in Amsterdam geboren, was van Joodse afkomst. Nadat zijn vader, een tramconducteur, was ontslagen en gedeporteerd en nadat ook zijn moeder op transport was gesteld, zocht men voor hem een onderduikadres in Bilthoven. Zijn moeder heeft de oorlog overleefd. Hij heeft zijn herinneringen opgeschreven. Foto: Maurice Meijer (rechts) op het feestje ter gelegenheid van zijn zevende verjaardag, op 5 juni 1944 in de tuin in Bilthoven. (Gebruikt met toestemming)

 

Meer informatie

Maurice Meijer, die inmiddels is overleden, schreef het volgende. Met een stoomtrein werd ik nu naar Bilthoven gebracht, vermoedelijk in gezelschap van verzetslieden met wie mijn nieuwe pleegmoeder nauw contact onderhield. Het was een warme dag dat ik er aankwam, ergens in augustus ’43. Ik hoefde me niet te verstoppen, mijn pleegfamilie begon ook niet over een schuilplaats. Eigenlijk lieten ze me mijn gang gaan in de tuin van het huis, een echte villa. Het gezin telde drie kinderen, twee jongens en een meisje dat iets jonger was dan ik. Die kinderen accepteerden me gelijk, ik mocht ook onmiddellijk met hun fietsjes en hun autoped spelen. Een warm gezin met kameraadjes voor mij. Een van mijn pleegbroers is inmiddels overleden, met mijn andere pleegbroer en met mijn pleegzus heb ik nog altijd contact. ‘Je was zo’n makkelijk, aardig jongetje,’ zei mijn pleegmoeder. ‘Als je niet was opgehaald, had ik je gehouden.’

Mijn nieuwe pleegmoeder, Zus Boerma-Derksen, behoorde tot de verzetsgroep Oranje Vrijbuiters, die verschillende aanslagen heeft gepleegd op de spoorlijn Utrecht-Amersfoort, bij Fort Blauwkapel, waar de transporten naar Westerbork langskwamen. Toen een nsb’er de groep infiltreerde, vroegen ze mijn pleegmoeder de man te executeren. Na de aanslag in de Utrechtse Voorstraat, die hij niet overleefde, is zij gevlucht, opgepakt en vastgezet in de gevangenis op de Maliebaan. Later is zij weer vrijgelaten omdat getuigenverklaringen spraken van een vrouw van begin twintig, terwijl mijn pleegmoeder destijds vierendertig was. Zij was erg tenger, daardoor zag ze er jonger uit dan zij was. In de tijd dat zij vastzat, ben ik uitbesteed aan een oudere achterbuurvrouw.

We zijn één keer gecontroleerd door de Duitsers. Toevallig speelde mijn iets oudere pleegbroer toen net aan het begin van de Overboslaan. Doordat leden van het verzet hem daar even verborgen, kon ik voor hem doorgaan. De familie Boerma: drie kinderen, twee jongens en een meisje – niets aan de hand.

Tegenover ons huis stond de villa met ‘de grote tuin’, zoals wij zeiden. Daar woonde de Ortskommandant van de provincie Utrecht. Vanuit ons huis zagen we dat er grote feesten gevierd werden. Mannen in open auto’s reden de oprit op. We zaten in het hol van de leeuw, maar hebben nooit ergens last van gehad.

Bilthoven herbergde veel onderduikers. Om hen aan een nieuwe naam te helpen vernietigde het plaatselijk verzet het bevolkingsregister. Doel daarvan was onduidelijkheid te creëren over de samenstelling van het dorp. Om weer helder te krijgen wie waar woonde moesten alle inwoners zich melden voor een nieuw bevolkingsregister. Een uitgelezen mogelijkheid voor onderduikers om met een nieuwe naam een legale inwoner van Bilthoven te worden. Sindsdien heette ik Ries Boerma, en maakte ik deel uit van de familie.

DAB

 

Literatuur:

Marcel Prins en Peter Henk Steenhuis, Andere achterhuizen, verhalen van Joodse onderduikers, Amsterdam 2010.