Toen Dan (E.H.) Kampelmacher in 1920 in Wenen werd geboren, kon niemand vermoeden welke omzwervingen hem te wachten stonden. Na de Anschluss in 1938 en de Kristallnacht werd het leven voor joden in Oostenrijk snel ondraaglijk. Op 1 december 1938 vertrok hij met zijn vriend Fredl naar Nederland, waar hij hoopte een veilig heenkomen te vinden. In zijn verblijf speelde De Bilt een belangrijke rol.  Afbeelding: het boek dat Kampelmacher over zijn belevenissen publiceeerde.

 

Meer informatie

In Nederland probeerde hij een nieuw bestaan op te bouwen. In 1940 werd hij als leerling‑knecht geplaatst bij een boer in Hengelo als voorbereiding op een toekomst als Palestina‑pionier, maar de oorlog haalde hem in. In het voorjaar van 1942 ontving hij de gevreesde oproep om zich ’s nachts te melden op het Centraal Station in Amsterdam voor de Arbeitseinsatz im Osten. Hij vluchtte onmiddellijk naar zijn joodse vriendin in Zeist, maar besefte dat hij daar niet lang kon blijven. De politie zou hem eenvoudig kunnen traceren.

De volgende dag stapte hij op de fiets, maar in Odijk, Werkhoven en Bunnik vond hij geen gehoor. Uitgeput en moedeloos reed hij via de Bunnikseweg terug, overtuigd dat hij elk moment kon worden opgepakt. Toen zag hij in een weiland tegenover landgoed Oostbroek een jonge boer die twaalf koeien aan het melken was. Hij stapte af en vroeg of hij kon helpen.

De boer, Jitze Kraaikamp van boerderij Bureveld 2, keek hem sceptisch aan. “Kan je dan melken?” vroeg hij. Kampelmacher ging zitten onder de eerste koe en melkte alsof zijn leven ervan afhing – wat in feite ook zo was. Er ontstond direct een klik tussen de twee mannen. Kampelmacher vertelde over zijn situatie, Kraaikamp vertelde dat zijn vrouw Joke zwanger was en vaak ziek. Extra hulp was welkom, maar de familie moest eerst overleggen.

Het daaropvolgende familieberaad was zenuwslopend. Flip sprak namens de familie: het was een riskante onderneming, maar Kampelmacher mocht voorlopig blijven, op voorwaarde dat hij ’s nachts boven de varkens in de stal zou slapen, omdat razzia’s meestal in het donker plaatsvonden. Intussen moest hij blijven zoeken naar een veiliger adres.

De boerderij

Zo begon een verblijf van ruim vier maanden bij de familie Kraaikamp. Overdag werkte hij op de boerderij; ’s nachts lag hij op de zolder boven de varkens, met zicht op de sterren door kapotte dakpannen. Soms was er niet genoeg werk en werd hij uitgeleend aan Tonia, die een fruitboomgaard beheerde, of aan de familie Doornenbal in Bilthoven. Daar hielp hij bij het binnenhalen van de roggeoogst — op het land waar later het RIVM zou verrijzen. Ironisch genoeg werd hij zo, jaren voordat hij er in 1954 in dienst trad, de eerste ‘werker’ van het instituut.

Dat hij al die maanden niet was verraden, mag volgens hem als een wonder worden beschouwd. Dagelijks kwamen melkklanten langs, onder wie politiemensen en bekende NSB’ers. Zijn accent had hem gemakkelijk kunnen verraden. Maar niemand sprak.

Na de oorlog

Een komische ontmoeting volgde pas na de oorlog. Toen Kampelmacher als sectordirecteur Microbiologie het proefdierverblijf bezocht, herkende een van de Doornenbal‑zonen hem onmiddellijk: “Doar ha je onzen Doan!” De oude Doornenbal kwam diezelfde avond in zijn zondagse pak zijn excuses aanbieden voor de spontane uitroep van zijn zoon. Kampelmacher kon er alleen maar om lachen.

Eind oktober 1942 werd het verblijf in de tochtige stal te zwaar. Joke was uitgeput en steeds angstiger. Dankzij contacten in de illegaliteit vond Kampelmacher een nieuw onderduikadres in Utrecht.

Ruim vijftig jaar later sprak Kampelmacher nog altijd zijn diepe dank uit aan de bewoners van de Bunnikseweg en de vele klanten die hun mond hielden — en daarmee zijn leven redden.

DAB

 

Literatuur:

Kampelmacher, E.H., Fighting for suirvival, New York 2006.

Kampelmacher, D., Gevecht om te overleven, Mijn diaspora na de Anschluss, 2008.

Kampelmacher E.H., Overleven in De Bilt, in: De Biltse Grift maart 2007.