
Op 31 oktober 1517 vond een gebeurtenis plaats die de loop der wereldgeschiedenis diepgaand zou beïnvloeden. Luther maakte per brief zijn 95 stellingen bekend. Daarin bekritiseerde hij vooral de handel in aflaten. Met Luthers publicatie laat men de Reformatie beginnen. Prent: De Paus ontvangt aflaatgeld. (Lucas Cranach (I) 1521 – 1522, Rijksmuseum Amsterdam.)
Ook in Westbroek investeerden mensen in de zestiende eeuw geld om hun toekomst na de dood zeker te stellen. Als men zondigde, kon men kwijtschelding van straf voor zonden krijgen. Dat kon gebeuren door te biechten of boete te doen. Ook kon men door het kopen van een ‘aflaat’ het verblijf in het vagevuur – waarin de ziel gereinigd werd voordat hij ten hemel kon gaan – verkorten of zelfs helemaal kwijtgescholden krijgen. De koopsommen voor aflaten werden afgedragen aan de paus in Rome, die er de zeer kostbare bouw van de Sint Pieter mee bekostigde.
Ook in Westbroek betaalde men geld voor aflaten , in ieder geval nog in het jaar na Luthers actie. In de Codex Documentorum Sacratissimerum Indulgentiarum Neerlandicarum (Verzameling van stukken betreffende de pauselijke aflaten in de Nederlanden) staat:
‘Op de tweede zondag van de maand mei [1518], na het zingen van de hoogmis, werden uit de kist met aflaten te Westbroek twaalf gouden florijnen en acht stuivers gehaald. Daarvan werden voor de daglonen en kosten van de kerkfabriek drie gouden florijnen genomen, aangezien de […] vicecurator Bonser aan de meesters van de kerkfabriek aldaar het vierde deel van de gelden had toegezegd die in de kist zouden binnenkomen. Verder [werden betaald]: aan de kapelaan aldaar een florijn van Hoorn, en aan de koster een florijn van Hoorn. Zo blijft nog te betalen: acht gouden florijnen en twaalf stuivers.’
We weten ook wie het geld gingen ophalen en hoe zij de gelegenheid gebruikten om met de plaatsvervangend pastoor van Westbroek en zijn familie en vrienden de lunch te gebruiken:
‘Op de tweede zondag van de maand mei 1518 zijn mijnheer Drolshagen en zijn knecht alsmede ik, Malsen, respectievelijk als sub-commissaris en commissaris [voor de inzameling van aflaatgelden] vertrokken naar Westbroek om gelden op te halen. Wij hebben daar geluncht met de plaatsvervangende pastoor, in aanwezigheid van zijn zusters en enkele van zijn vrienden. Wij hadden als onkosten 12 Hollandse stuivers en voor het hooi en de haver voor de paarden drie-en-een-halve stuiver en wij betaalden voor de kosten 12 stuivers Hollands.’
De bruto opbrengst van de aflaatverkoop in Westbroek bedroeg omgerekend aan huidige zilverwaarde ruim 260 euro, netto ruim 160 euro. Zo droeg ook Westbroek bij aan de bouw van de St. Pieter.
AD
Bron:
Dr. Paul Fredericq e.a. ed., Codex Documentorum Sacratissimerum Indulgentiarum Neerlandicarum. Verzameling van stukken betreffende de pauselijke aflaten in de Nederlanden, 1300-1600 (Den Haag 1922), pp. 566, 569 en 573.