Afgebeeld is een akte waarbij pastoor Joost Ghijsbertssoen, pastoor van Westbroek, op 20 januari 1506 regelt hoe turf   (waar hij ook van profiteerde) na overleg met belanghebbenden moest worden gegraven. Duidelijk is, dat de pastoor zelf ook belanghebbende was. (Utrechts archief, inventaris 221, het kapittel van Sint Marie te Utrecht , nr. 2643)

 

Meer informatie

Over deze eerste pastoor weten we wat meer door een afschrift van een grafschrift in het archief van het huis Zuilen (Utrechts Archief, toegang 76, nr. 1682): ‘ ‘Hier leid begraven Heer Joost Gijsbertssoon van Dert [Dordt?], eene pastoor van deese kerke gestorven in t Jaar onses Heeren 1507, den 15 dag in December.’

Het is niet uitgesloten dat  pastoor Gysbertsz.  betrokken was bij de schilderingen die in de kerk na en naar aanleiding van de Slag bij Westbroek van 1481 werden gemaakt. De eerste regel van de afgebeelde akte luidt:

Alle dengenen die desen brief sullen sien ofte horen lesen, doe […] ic heer Joest Ghysberts, eerste pastoor inden Westbroeck […]’.

Joost Gysbertsz.  maakt in deze akte, een ‘opene brief’ of publiek stuk, regels bekend voor de afgraving van het ‘buerveen’. Dat doet hij na advies van de rentmeester van Zuilen en de kerkmeesters van Westbroek ingewonnen te hebben en na bespreking van de zaak met ‘veel meer goede mannen’. Hij treedt daarbij op  in verband met zijn kennelijke belang bij de ‘papelike proven’, een door de paus gegeven geestelijk goed en het inkomen dat daaruit kennelijk getrokken werd. Het ‘buerveen’ bij Westbroek grensde  kennelijk ‘beneden aan’ het gebied van deze ‘prove’, dat denkelijk ook bij de turfproductie betrokken was.

 

AD