De Middeleeuwse ontginningen in het gebied van het huidige Noorderpark en De Bilt waren alleen maar mogelijk als er goede afwatering was. Dat was niet vanzelfsprekend. [Titel van een overeenkomst van het Domkapittel en het gerecht van Oostveen en de abdij Oostbroek (zie hieronder, bij ‘bron’).]

 

Meer informatie

In de archieven van het Domkapittel en de abdij van Oostbroek zijn veel documenten bewaard gebleven die inzicht geven in de geleidelijke vervening en ontginning van deze gebieden. Om die ontwikkeling goed te begrijpen, moet men bedenken dat er toen nog geen bemalingswerktuigen bestonden. Daardoor verliep de ontwatering veel langzamer dan later mogelijk werd. Ook was de bodem nog minder ingeklonken, waardoor natuurlijke afwatering in die tijd eenvoudiger en langer mogelijk bleef.

Bij de ontginningen in het gebied  ontstonden geleidelijk meer oost-west-waterverbindingen. Daarin  werd het water geloosd van de sloten van de naar het noorden opstrekkende, ongeveer evenwijdig lopende ontgonnen percelen. De zuidelijkste oost-west waterverbinding is de Hoofddijkse wetering, daarna was er de vroegere Veenweg en meer naar het noorden achtereenvolgens de Oude Wetering, de Nieuwe Wetering en de Maartensdijk. De Oude Wetering liep van Groenekan (ten noorden van Blauwkapel en dus van de stad Utrecht) naar het gebied ten noorden van het dorp De Bilt: langs de Groenekansedijk naar de tegenwoordige Visserssteeg. Deze Oude Wetering heette op oude kaarten ook wel de Bisschopswetering en zo werd hij ook al in 1257 genoemd.  Voor meer hierover klikke men HIER.

Omdat men vanaf de stad Utrecht en de Vecht begon met het graven van de ontwateringssloten, stroomde het water de ontginners als vanzelf van noord naar zuid tegemoet. Via de Oude of Bisschopswetering liep het water vanuit Oostbroek langs het veengebied en deels langs de grens van Utrecht naar de Vecht. Op deze wetering kwamen de sloten van De Bilt, Maartensdijk en Achttienhoven uit.

In de vijftiende eeuw ontstond een conflict dat eigenlijk al eerder verwacht had kunnen worden. Bewoners van de hoger gelegen zandgronden bij De Bilt loosden hun water op de sloten van Oostveen (het huidige Maartensdijk), maar die konden die hoeveelheid water niet verwerken. De kwestie leidde tot een rechtszaak voor de bisschoppelijke rechter, maar werd in 1466 uiteindelijk in goed overleg opgelost. De afwatering via Oostveen werd toegestaan, terwijl De Bilt en Oostbroek meebetaalden aan de aanleg van nieuwe waterwerken, drie nieuwe duikers.

Bijzonder aan deze zaak zijn de bewaard gebleven getuigenverklaringen. Bewoners die het hadden meegemaakt vertelden daarin hoe men vroeger met het overtollige water omging.

AD

 

Literatuur:

K. Heeringa, ‘Bijdragen tot de geschiedenis der ontginning van het Nedersticht’. In: Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis enb Oudheidkunde, zesde reeks, achtste deel (Den Haag 1929) 161-202.

Bron: Utrechts Archief. Toegang 85-2, Laurensabdij van Oostbroek te De Bilt. Inv. nr. 11,  Cartularium van de abdij, bevattende akten vanaf 1113, aangelegd in 1484, en bijgehouden tot 1513, 14v-15v, 17v-18r.: Overeenkomsten van het Domkapittel en het gerecht van Oostveen met de abdij betreffende de aanleg van duikers in drie nieuwe watergangen in het Oostveen en de schouw daarover, 1466.’

Detail van een zeventiende-eeuwse kaart waarop men duidelijk de Oude Wetering/Bisschopswetering kan zien,