Het hier besproken dagboek is geschreven door de echtgenote van de vermogende Jacobus Huibert van den Hil (1878–1944), C.J.M. Rohweder (1902–1992). [Brandstoftekort. Kinderen roven houtblokjes van tussen de tramrails. Wikipedia/Spaarnestad/Nationaal Archief.]

 

Meer informatie

Kort na hun evacuatie uit Den Haag verblijen Jacobus, zijn echtgenote en hun elfjarige dochter Hanny in een groot, vochtig huis in De Bilt, waar tevens andere mensen wonen. Daar gaat de gezondheid van de astmapatiënt Jacobus tijdens de Hongerwinter zowel lichamelijk als geestelijk sterk achteruit, waarna hij overlijdt.

In dit dagboek beschrijft Rohweder de moeilijke omstandigheden tijdens de Hongerwinter. Sinds 13 november 1944 is er geen gas meer, waardoor koken en verwarmen een groot probleem zijn. Met een oude potkachel probeert het gezin zich nog enigszins te redden, terwijl voedsel steeds schaarser wordt.

Daarnaast vertelt zij over een spannende gebeurtenis op 21 november 1944. Drie mannen uit Rotterdam, die aan een razzia zijn ontsnapt, zoeken uitgeput en hongerig onderdak. Terwijl zij zich in haar huis bevinden, verschijnt onverwacht een Duitse officier die op zoek is naar slaapruimte. Met veel kalmte en vindingrijkheid weet de schrijfster de aanwezigheid van de vluchtelingen verborgen te houden door de Duitsers wijs te maken dat een beschikbare kamer ongeschikt is vanwege de ziekte waaraan haar pas overleden man leed: TBC, tuberculose. Nadat het gevaar is geweken, krijgen de mannen eten, brood voor onderweg en verband voor hun verwonde voeten. Voor een fragment uit het dagboek klik men aan: Een ‘Nederlands-Duitse’vrouw over onderduikers en inkwartiering

AD

Bron:

Nederlands Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (NIOD), archief. Toegang 44, Europese dagboeken en egodocumenten, nr. 2051, Rohweder, C.J.M.