Op 27 augustus 1942 verschenen medewerkers van de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg (ERR) in Achttienhoven en Westbroek om de achtergelaten bezittingen van Joodse bewoners nauwkeurig te inventariseren. Afbeelding: De stamboekkaart van Simon Grünebaum.
Deze ERR was een Duitse rooforganisatie. {Meer daarover kan men lezen door HIER te klikken]. Nadat de bewoners waren weggevoerd, werden de woningen waarin zij hadden verbleven kamer voor kamer opgenomen. Elk meubelstuk en gebruiksvoorwerp werd met Duitse Gründlichkeit beschreven en getaxeerd. Deze inventarisaties maakten deel uit van de systematische roof van Joods bezit tijdens de Duitse bezetting. De kille en nauwgezette administratie laat zien hoe de bezetter de vervolgde Joodse bevolking niet als mensen, maar als objecten en vermogensbestanddelen behandelde.
De meest omvangrijke inventarisatie betrof de woning van Simon Grünebaum en zijn vrouw, aan de Kerkdijk 46 in Achttienhoven. De woning bestond uit een hal, vijf kamers, een keuken, badkamer, kelder, zolder, bijgebouwen en een tuin. De ambtenaren namen kamer voor kamer de volledige huisraad op: meubels, bedden, kasten, tafels, stoelen, spiegels, schilderijen, keukeninventaris, serviesgoed, boeken en beddengoed. Ook het tuinhuis en de zolder werden geïnspecteerd. De totale waarde van de inboedel werd geschat op ongeveer 97 gulden. Over de eigenaar van het pand werd slechts vermeld dat dat de gemeente Achttienhoven eigenaar was van het perceel waarop de woning stond.
In de stukken worden ook twee andere bewoners van Kerkdijk 46 genoemd. Ida Grünebaum, weduwe van K. Rothschild, beschikte volgens het stamboekformulier dat op haar naam was opgesteld slechts over kleding en linnengoed. Ook de bezittingen van de bij Grünebaum inwonende Kressel Sack werden als waardeloos beschouwd: het ging uitsluitend om “Kleider und Leibwäsche” — kleding en linnengoed.
Ook van Siegfried Wolff werd vastgelegd dat hij alleen zijn persoonlijke kleding en lijfgoed bezat. Het stamboekformulier waarop zijn naam staat vermeld, geeft aan dat hij als inwonende verbleef op het adres Kerkdijk 29a, een woning die eigendom was van een zekere Van der Linden. De rapporteurs noteerden opnieuw kort en zakelijk: “Hat nur Leibgut” — hij bezat uitsluitend zijn persoonlijke eigendommen: kleding, ondergoed, schoenen, sokken, linnengoed en enkele persoonlijke gebruiksvoorwerpen. Voor de bezetter viel bij Wolff dan ook nauwelijks iets te roven.
Diezelfde dag werd ook de inboedel van de woning van Julius Blesemann aan de Kerkdijk 58 in Westbroek geïnventariseerd. Deze bestond uit onder meer linoleum, banken, tafels, stoelen, ladenkasten, een hanglamp, gordijnen, een kolenkachel, serviesgoed en enkele andere gebruiksvoorwerpen. De totale waarde van deze inboedel werd door de Duitse taxateurs geschat op slechts 5 gulden. [Kerkdijk 58 lag in Westbroek. De Kerkdijk-adressen die zich in Achttienhoven bevonden slaan op de Dr. Welfferweg, die in 1942 nog Kerkdijk heette.]
De inventarisaties in Achttienhoven werden uitgevoerd door Van Broekhoven, Van Eijsden, Van der Laan en Waalewijn.
Deze stamboekkaarten vormen een indringend voorbeeld van de systematische onteigening van Joodse inwoners van Achttienhoven. Achter de zakelijke opsommingen van stoelen, bedden, kasten en serviesgoed gaan de levens schuil van gezinnen en individuen die kort daarvoor uit hun huizen waren verdreven en van hun bezittingen waren beroofd.
Zie voor de acties van het Duitse roofteam in Bilthoven en Maartensdijk resp. HIER en HIER.
AD
Bron: NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies. Archief. Toegangsnummer: 093a Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg. Boedel inbeslagname documenten. Inventarisnummers 77 en 79.