Op 15 september 1787 kwamen de patriotse Utrechtse Staten bijeen om de zorgwekkende militaire situatie van de stad te bespreken. De Pruisen rukten op. De gouverneur en burgemeester van de Domstad, Adriaan Hendrik Eyck, bewoner van Eyckenstein, legde zijn bevindingen vast. (Utrechts Archief. Catalogusnummer nr. 39564. Afbeelding van de Stadhuisbrug te Utrecht waar de schutterij staat opgesteld. Anoniem. 1787.]
‘Er waren 6.000 man gelegerd bij Tiel, bestemd voor een aanval op Gorinchem, en 5.000 man bij Culemborg, gericht op Vianen. Daarnaast zouden zich 9.000 man bij Zeist bij het leger voegen. Volgens de berichten zouden er tegelijk drie aanvallen plaatsvinden: één op Gorinchem, één op Vianen en één op Utrecht. De aanval op Utrecht zou worden uitgevoerd door 9.000 Pruisische soldaten, die samen met troepen uit de provincie een leger van 18.000 man zouden vormen. Deze strijdmacht zou de volgende ochtend Utrecht aanvallen.’
Diezelfde avond om negen uur kwamen de bestuurders opnieuw bijeen met hun militaire leiders. De Utrechtse regenten keken gespannen naar de commandant van hun leger, Johann Friedrich von Salm-Grumbach, de ‘Rhijngraaf’, en verwachtten van hem een duidelijk antwoord op de vraag hoe de stad verdedigd moest worden. Tot grote verbijstering van de aanwezigen haalde hij echter twee documenten tevoorschijn van de vertegenwoordigers van Holland en Utrecht in Woerden, die met de verdediging waren belast. In het ene stuk werd het aan de Rhijngraaf overgelaten om, indien hij dat noodzakelijk achtte, met alle Hollandse troepen uit Utrecht te vertrekken. In het andere werd hem opgedragen de stad onmiddellijk te verlaten.
Het voorlezen van deze stukken trof de leden van de vergadering als een donderslag bij heldere hemel. Ondanks de dringende verzoeken en verwijten van Eyck weigerde de Rhijngraaf in Utrecht te blijven. Eyck herinnerde hem aan zijn eed aan stad en provincie en stelde voor dat generaal Van der Borch met zijn regiment zou achterblijven. De Rhijngraaf antwoordde echter dat ook Van der Borch met hem zou vertrekken. Vervolgens verlieten de Rhijngraaf, Van der Borch en de Franse ingenieurs de vergadering.
Later zou de Rhijngraaf melden:
‘Van den Boetzelaar beklaagde zich en zei dat hij van top tot teen geruïneerd was. Van Amerongen merkte op dat men de vergaderingen in Amsterdam zou voortzetten. De Ridder zei dat hij gelukkig enkele dagen eerder zijn obligaties in veiligheid had gebracht. Eyck was de enige die om zes uur uitstel vroeg om zijn bezittingen te kunnen redden. Niemand betwistte de noodzaak van de evacuatie; allen beperkten zich tot jammerklachten en dachten vooral aan hun eigen vermogen en persoonlijke veiligheid.’
Kort daarna verlieten de Utrechtse patriotse bestuurders de stad. Velen van hen vluchtten uiteindelijk naar Frankrijk.
AD
Bronnen:’ Verhaal van het voorgevallene binnen Utrecht sedert den 10 may 1787 tot op deszelfs evacuatie op den 15 september van het eygene jaar”. In: Nationaal Archief, Dumont- Pigalle, TTTT; H.T. Colenbrander, De Patriottentijd. Hoofdzakelijk naar buitenlandse bescheiden Deel III: 1786–1787 Den Haag 1897-1899), p. 194, m.n. noot 1