Twee administratieve brieven van de burgemeester van De Bilt en de lokale hoofdinspecteur van politie uit september en oktober 1942 leggen de bureaucratische werkelijkheid van de Jodenvervolging in bezet Nederland en de – al dan niet afgedwongen – medewerking van gemeentelijke autoriteiten genadeloos bloot. (Foto van het Biltse politiekorps omstreeks 1930. In het midden burgemeester Van der Borch, links van hem hoofdinspecteur Mollerus. Beeldbank Historische Kring D’Oude School, nr, 65332.)
Op het eerste gezicht ogen de documenten als alledaagse stukken overheidscorrespondentie. Met de formele openingszin ‘heb ik de eer u bijgaand de daarin gevraagde lijst te doen toekomen’ reageert burgemeester H.P. van der Borch van De Bilt op 9 september 1942 op een verzoek van het Gewestelijk Arbeidsbureau Utrecht. De inhoud van de bijlage is echter allerminst alledaags. Het betreft een namenlijst van 54 Joodse mannen, met name afkomstig uit Bilthoven, opgesteld in het kader van de tewerkstelling in werkkampen, officieel aangeduid als de zogenaamde ‘Joodse werkverruiming’ (W.V.). In werkelijkheid vormden deze werkkampen een tussenstation op weg naar deportatie en uiteindelijk de vernietigingskampen.
Een maand later, op 9 oktober 1942, reageert de gemeentepolitie van De Bilt op een verzoek van het Gewestelijk Arbeidsbureau Utrecht van 3 oktober 1942. Dat verzoek had betrekking op het opsporen en aanhouden van Joodse inwoners. Namens de burgemeester stuurt hoofdinspecteur A.M.C. Mollerus een bijlage mee met de namen van veertien Joodse mannen, van wie wordt vermeld dat zij ‘spoorloos’ waren – een aanduiding die in veel gevallen betekende dat zij waren ondergedoken.
Deze brief sluit naadloos aan op de eerder opgestelde lijst uit september 1942 en de geschiedenis van de zogenoemde Joodse werkverruiming. Juist in deze periode werden door de Hauptarbeitsgruppe Niederlande van de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg de inboedels van verlaten Joodse woningen geïnventariseerd en getaxeerd. Zie daarvoor HIER.
Voor de roof van Joodse bezittingen in de voormalige gemeenten Maartensdijk, Westbroek en Achttienhoven klik resp. HIER en HIER. In de nacht van 2 op 3 oktober 1942 – precies de datum van het verzoek waarnaar in deze brief wordt verwezen – werden de Joodse werkkampen in Nederland ontruimd. De daar verblijvende mannen werden afgevoerd naar Kamp Westerbork, waarna de meesten kort e tijd later naar de vernietigingskampen werden gedeporteerd. De brief van 9 oktober laat de directe nasleep van deze actie zien. Het Gewestelijk Arbeidsbureau Utrecht gaf de politie van De Bilt opdracht, veertien Joodse inwoners op te sporen en aan te houden, waarvan er negen ‘spoorloos’ waren, kennelijk ondergedoken.
De hoofdinspecteur van politie van De Bilt stuurde de gevraagde lijst, voorzien van aanvullende gegevens, terug naar het Gewestelijk Arbeidsbureau. De correspondentie laat op indringende wijze zien hoe lokale politie en arbeidsbureau werden ingeschakeld bij de opsporing van Joodse burgers en daarmee een schakel vormden in het bureaucratische systeem dat de deportaties mogelijk maakte.
Voor meer over burgemeester Van der Borch – hij werd in 1943 ontslagen en opgevolgd door de NSB-er C. van Ravenswaay – klik HIER en HIER.
Voor de documenten zelf – waarvan een kopie beschikbaar werd gesteld door de heer Kees Dorrestijn uit zijn archief – klikke men aan: Twee gemeentelijke Biltse brieven over jodenververvolging.
AD